Geregeld zien wij ouders die zich ernstige zorgen maken over de woedeaanvallen van hun kind. Het kind gedraagt zich op school keurig, maar kan thuis om het minste of geringste ontploffen. Of het gaat thuis juist hartstikke goed, terwijl de ouders van school te horen krijgen dat hun kind geregeld driftbuien heeft en andere kinderen slaat. En als het helemaal tegenzit, heeft het kind zowel thuis als op school regelmatig zijn gedrag niet onder controle.

Driftbuien zijn ontzettend lastig voor de omgeving, maar ook voor het kind zelf. Ouders en leerkrachten geven vaak aan het kind tijdens een uitbarsting niet te kunnen ‘bereiken’. Ze kunnen op zo’n moment niet tot hem doordringen, dus weten ze ook niet wat ze eraan kunnen doen. En het kind zelf schaamt zich na afloop vaak over het verlies van controle.

Deze kinderen beweren tegenover ons hulpverleners dan ook vaak dat ze helemaal nooit boos worden. ‘Nee hoor, dat heb ik niet.’ Pas als we aangeven dat de ouders of school ons hebben verteld dat dit weleens gebeurt en we het kind daarbij laten merken dat we hem gewoon accepteren en dat we ook wel snappen dat je soms heel erg boos kunt worden, geven ze toe. Onze taak is vervolgens ze te helpen ontdekken hoe ze kunnen voorkomen dat ze zó boos worden dat ze ontploffen: door
de signalen van toenemende irritatie bij zichzelf te herkennen en eerder aan de noodrem te trekken. We gebruiken daarbij een woedethermometer: bij welk cijfer ben je geïrriteerd, een beetje boos, best wel boos en waar ontplof je? Bij welk cijfer kun je dus beter uit de situatie stappen en iets anders gaan doen voor het te laat is? En hoe pak je dat aan?

Ouders en leerkrachten kunnen het kind helpen door te letten op signalen van irritatie. Zie je dat het kind boos wordt, help hem dan herinneren iets anders te gaan doen. Als het net ging om een terechtwijzing van jouw kant, geef dan aan dat jullie het er later nog over zullen hebben, als jullie allebei kalmer zijn. Als jullie midden in een meningsverschil zitten en je kind onttrekt zich aan de situatie, ga hem dan niet achterna. Dit heeft hij nodig om een woedeaanval te voorkomen. Ga je toch door en ontploft het kind? Dan kun je er op dat moment niets aan doen dan hem te laten uitrazen (zolang dat veilig blijft). Boos worden en eisen stellen helpt op zo’n moment zeker niet. Troosten soms wel. Want dat is wat er vaak achter die boosheid zit: verdriet en machteloosheid.

Accepteer het kind zoals hij is, met driftbuien en al. Benader hem positief, met praten in plaats van straffen. Dat praten kan kort en met een positieve boodschap over de persoonlijkheid van het kind: ‘Ik vind je een hele lieve jongen, maar je mag je zusje niet slaan. Het doet haar pijn en ze is kleiner en minder sterk dan jij, dus dat is niet eerlijk. Als ze je dwarszit en je weet niet hoe je het moet oplossen, zeg het dan tegen mij, dan kom ik je helpen.’ Zo leert je kind niet alleen dat je hem lief vindt, maar ook dat je een betrouwbaar persoon bent om op terug te vallen. Hij leert dat hij om hulp mag vragen én hij leert nieuwe sociale vaardigheden door naar jouw oplossingen te kijken.