Ouders die bij ons komen geven in het eerste gesprek regelmatig aan dat het niet goed gaat met hun kind. Hun kind haalt lage cijfers, kan bij voetbal zijn team niet bijhouden en wil niet oefenen voor zijn pianolessen. De ouders maken zich vaak grote zorgen. Want als het zo doorgaat, wat moet er dan van hun kind terechtkomen?

Dus zoeken ze wanhopig naar manieren om hem te helpen. De opvoeding gaat niet meer ‘vanzelf’: ze veranderen hun gedrag ten opzichte van hun kind en proberen zijn houding positief te beïnvloeden. ‘Kom op, je kunt het, hou je voet zo, kijk daarheen, schop de bal zo, goed zo!’ En als anderen hun kind uitlachen, zeggen ze daar iets van. ‘Hou daarmee op, hij kan er ook niets aan doen.’

Maar vaak zien ze dat het allemaal niets helpt en dat hun kind zijn gevoel voor eigenwaarde meer en meer verliest. Wat is hier nu aan de hand? Hoe kan het dat het niet werkt, terwijl ze zo hun best voor hem doen?

Dat heeft te maken met verwachtingen. Door alle opmerkingen en bijsturingen leert het kind dat zijn ouders verwachten dat hij het niet zelf kan. Dat hij niet slim of sterk of handig genoeg is en beschermd moet worden. En dus verwacht hij dit zelf ook. Als een kind denkt dat hij iets niet kan, dat hij er gewoon geen aanleg voor heeft, dan heeft hij ook geen zin om er moeite voor te doen. Hij verwacht het nooit te kunnen leren. Dat noem je een ‘fixed mindset’.

Bovendien voelt hij, door alle goedbedoelde stimulatie van zijn ouders, dat zijn ouders op meer gehoopt hadden. Dat ze liever hadden gehad dat hij wel goed was in voetbal en dat hij wel goed zou presteren op school en op pianoles. En dus concludeert hij voor zichzelf dat hij niet goed genoeg is. De liefde van zijn ouders voelt voor hem voorwaardelijk. Hij denkt dat zijn ouders meer van hem zouden houden als hij beter zou zijn in bepaalde dingen. Dat levert veel druk en frustraties op: hij is er immers ook van overtuigd dat hij nooit aan dit beeld zal kunnen voldoen.

De ouders bedoelen het goed en houden ook echt heel veel van hun kind, maar houden te veel vast aan hun normen van maatschappelijk succes. Goede cijfers, nette vrienden, lekker meekomen op sportief gebied en later een goedbetaalde baan, want zo hoort het. Ze verwachten dat hun kind dan gelukkig zal zijn. Dat is tenslotte waar ze het allemaal voor doen.

Maar wat zou er gebeuren als ze hun kind zouden vragen wat híj wil en wat voor hem belangrijk is? Wat zijn zíjn waarden en hoe ziet hij zijn eigen identiteit? Wat als ze hem de ruimte zouden geven zijn eigen persoonlijkheid te ontdekken? Wat als hun gevoel van eigenwaarde als opvoeder niet langer medeafhankelijk zou zijn van de vraag hoezeer hun kind voldoet aan de maatschappelijke normen voor succes?

Dan zouden ze meer van hun kind genieten, hem waarderen om zijn eigen persoonlijkheid en hem hierin bevestiging geven. En dan? Dan zien ze vaak dat hun kind begint te groeien. Dat de druk wegvalt, voetbal weer een spelletje wordt en hun kind er lol in begint te krijgen. En dat hij er dan als vanzelf beter in wordt. Ze zien ook dat hun kind zelfstandiger wordt, dat hij zélf ontdekt dat hij meer kan dan hij dacht. Ze zien dat hun kind zich gaat ontwikkelen op de gebieden die hij zelf interessant of belangrijk vindt. En tenslotte komen ze tot de conclusie dat zowel hun kind als zijzelf zo veel gelukkiger zijn.